Gebouw

Bouw van het Hof

De grond

De executeurs-testamentair beschikten over een werkkapitaal van ruim 32.000 gulden, in die tijd bepaald een aanzienlijk bedrag. Zij vonden een geschikt terrein voor het hofje aan de noordzijde van de Doelensteeg, direct achter het statige Rapenburg waar zoveel regenten woonden. Vóór de reformatie hoorde deze grond bij het klooster Roma.

Na de succesvolle verdediging van Leiden tegen de Spaanse belegeraars in 1575 was het klooster onteigend en verkocht door de Staten van Holland om de kosten van de nieuw gestichte universiteit aan het Rapenburg te dekken. In 1651 kwam een groot deel van dit voormalige kloosterterrein nogmaals in de verkoop.

Tussen de verkochte kavels restte nog een binnenterrein van 27 x 29 m2, dat bereikbaar was via een eveneens nog onverkocht erf aan de Doelensteeg. Het was dit terrein dat de executeurs-testamentair geschikt bevonden voor Eva’s hofje en besloten te kopen voor 7.000 gulden. Ten behoeve van een achteruitgang aan de Doelengracht kochten zij ook nog een klein perceel voor 635 gulden.

De gevel met de toegangspoort tot het zgn. “poorthuis” van het hof aan de Doelengracht, nu nr 7a.
Vertaling van het opschrift: Vrouwe Eva van Hoogeveen, dochter van Albertus, Heer van Hoogeveen, een zeer kuise en lofwaardige Maagd, heeft deze gebouwen ter ere van God aan kuise Maagden en eerbare Weduwen in 1650 bij testament beschikt. Loof de overledene, toeschouwer en volg haar na. Anno 1659

De gevel met de toegangspoort tot het zgn. “poorthuis” van het hof aan de Doelengracht, nu nr 7a.

Vertaling van het opschrift: Vrouwe Eva van Hoogeveen, dochter van Albertus, Heer van Hoogeveen, een zeer kuise en lofwaardige Maagd, heeft deze gebouwen ter ere van God aan kuise Maagden en eerbare Weduwen in 1650 bij testament beschikt. Loof de overledene, toeschouwer en volg haar na. Anno 1659

Arent van ’s-Gravesande, ontwerp van het (niet uitgevoerde) poortgebouw en de huisjes van het Eva van Hoogeveenhof, gewassen tekening.

Ontwerp
Stadsarchitect Arent van ’s-Gravensande toonde zich bereid een eerste ontwerp te maken. Zijn ontwerpen zijn voorbeelden van het Hollands Classicisme. Mathematische regelmaat lag ook hier ten grondslag aan het hele ontwerp.

Van ’s-Gravesande heeft een aantal tekeningen gemaakt, waaronder een tekening van een voorgevel van een poortgebouw met een tweetal huisjes. Het ontwerp voor dit poortgebouw, bestemd voor de Doelensteeg, vertoont overeenkomsten met de gevel van het poortgebouw van het nabij gelegen Van Brouckhovenhofje, dat ook is ontworpen door van ’s-Gravesande. Dit ontwerp voor het Eva van Hoogeveenhof is echter nooit uitgevoerd.

Arent van ’s-Gravesande, ontwerp van het (niet uitgevoerde) poortgebouw en de huisjes van het Eva van Hoogeveenhof, gewassen tekening.

De 2 huisjes op de tekening bezitten elk drie vensters, waarvan een boven de deur, een kruisvenster naast de deur en een dakkapel. Het laatste venster wordt bekroond met een gebogen fronton.  Deze elementen bevatten allemaal een houten omlijsting.

De huisjes zijn in spiegelbeeld getekend, zodat er per twee huisjes slechts één schoorsteen nodig was. Er is uiteindelijk ook voor deze indeling niet gekozen, mogelijk omdat een tweede toegang tot het hof, via de Doelengracht, een andere indeling van de huisjes vereiste. De verbinding naar de Doelengracht zou de symmetrische compositie van de woonblokken verstoren, waardoor het ontwerp niet meer klopte.

De uiteindelijke uitwerking delegeerde Van ’s-Gravesande aan meester-timmerman Joost Jansz. Rensema, want als stedelijk functionaris mocht hijzelf niet als ‘volwaardig’ architect optreden voor particuliere opdrachtgevers.

Er werd een definitief ontwerp gemaakt van de plattegrond en de huisjes, dat sterk was geïnspireerd op het ontwerp van Van ’s-Gravesande, met een aantal kleine aanpassingen waarmee de harmonie in de gevels van het westelijk en oostelijk woonblok alsnog behouden bleven. Met de opdeling van de muren door de Dorische pilasters in smalle traveeën zijn de deuren en vensters uiteindelijk afwisselend geplaatst (deur, venster, deur, venster).

Het aantal woningen is 12 geworden zoals Eva het wilde.

De plattegronden van de huisjes kregen de bekende indeling. De zolder met vliering is toegankelijk via een wenteltrap (a). Naast het trapje op de begane grond bevindt zich de toegang tot de kelder (b). Hiernaast bevindt zich de bedstede (c) met daarvoor de schouw (d) voorzien van een bewerkte houten mantel.

De Grontcaart van het Hof van Eva ab Hoogeveen door Gerrit van der Laan.

1–12 nummers van de huisjes

a wenteltrap

b kelder

c bedstade

d schouw

e doorgang van het poorthuis/ regentenhuis

f binnenplaats

g slachthuis

h doorgang naar de regenbak

De Grontcaart van het Hof van Eva ab Hoogeveen door Gerrit van der Laan.

Van ‘s-Gravesande  hield wel de supervisie, zowel bij het voorbereidende werk als bij de uitvoering. Al lag de bouw dus in vertrouwde handen van erkende deskundigen, toch bleven beide executeurs-testamentair persoonlijk betrokken bij het hofje in wording. Eind maart 1653 bijvoorbeeld lieten ze zich diverse malen naar Valkenburg, Leiderdorp en Koudekerk roeien om samen met metselaar Jacob Cornelisz. van Onsel bouwmateriaal, zoals bakstenen en dakpannen, uit te zoeken. De lat bleef hoog liggen bij de bouw.

De inspectie van het metselwerk werd eveneens gedaan door Van ’s-Gravesande. Het dak, bedekt met rode pannen heeft wolfseinden gekregen. De ingemetselde pilasters met natuurstenen basementen (onderstukken)  en kapitelen ‘dragen’ een gereduceerd natuurstenen hoofdgestel met een bakstenen fries. Het fries, de pilasters en de strekken boven de vensters en deuren zijn van gele baksteen. Hierdoor ontstaat er een speels contrast met de rest van de gevel, die gemetseld is in rode baksteen. Onderzoek tijdens de restauratie van 1984 wees uit dat niet alleen de rode bakstenen rood werden overgeschilderd, maar dat ook de kozijnen in eerste instantie een rode kleur hebben gehad (Droge, blz 73).

Verder verwerkte de schilder uitsluitend witte verf. Waar gele bakstenen werden toegepast  – de pilasters, het fries en de strekken boven de vensters en deuren- werden geen verfsporen gevonden.

Het straatje langs de huisjes is in een geometrisch patroon in twee kleuren gelegd.

In 1654 werd de tuin aangelegd. Jacob Cornelisz van Onsel maakte de keermuurtjes rond de bleekvelden.

In 1655 verrees op de plaats van de geplande doorgang naar de Doelengracht een soort poorthuis, met op de eerste verdieping een regentenkamer. Deze ruimte kreeg geheel in stijl een regenteske schouw met twee consoles op halfzuilen, op met guirlandes versierde piëdestals, schijnbaar van natuursteen maar in werkelijkheid bestaande uit gegoten elementen.

De doorgang van het poorthuis/regentenhuis (e) aan de Doelengracht bevond zich tussen de huisjes nummers 4 en 5.  Vanuit het hof kwam men in een kleine binnenplaats (f) met secreten, grenzend aan het slachthuis (g), dat onder het regentenhuis was gesitueerd.

Precies tegenover deze doorgang werd een doorgang tussen huisjes  nummers 8 en 9 geplaatst (h), die toegang gaf tot de regenbak.

In 1659 ten slotte besloten de regenten om voor 350 gulden een representatieve   toegangspoort met twee Toscaanse pilasters te laten optrekken aan de Doelensteeg. In het verhoogde fries werd Eva van Hoogeveen in een speciale Latijnse tekst geroemd.

Restauraties

1739: Voor de eerste maal kwam het tot een soort renovatie. Wat er toen allemaal gebeurde valt achteraf uit het archief niet meer gedetailleerd te achterhalen, maar de rekeningen van de vaste onderhoudsmensen stegen dat jaar wel plotseling tot vier of vijf maal het gebruikelijke niveau. De toch al fameuze tuin kreeg dit jaar een eerste facelift met acht jonge lindebomen én er kwam een prachtige pomp die het hofje blijvend zou sieren. Bovenop deze pomp prijkte voortaan het natuurstenen schaap dat verwees naar het wapen van de familie Van Hoogeveen.

De pomp uit 1739 met natuurstenen schaap.

1782: Er vond nogmaals groot onderhoud plaats, zonder fundamentele veranderingen in het basisconcept aan te brengen. De moeilijke tijdsomstandigheden zullen daaraan debet zijn geweest.
1807: Op 12 januari werd Leiden ’s middags getroffen door een ramp. Er ontplofte 37.000 pond buskruit in een schip dat lag aan het Steenschuur, het verlengde van het Rapenburg. Het hofje lag (bijna) op veilige afstand. Desondanks was de schade zodanig dat stevig herstelwerk was vereist. Zo ontving schilder Arie Momberg 110,34 gulden voor het inzetten van nieuwe ramen.
1864: De bewoonsters kregen gasverlichting in hun huisjes. Dat kostte de regenten precies 67,21 gulden en betekende een grote vooruitgang. Eva’s hofje beschikte toen op de binnenplaats al over een gaslantaarn die iedere avond door een lantaarnopsteker werd ontstoken.

Het is onbekend wanneer precies de huisjes van Eva’s hofje van toiletten en wastafels zijn voorzien. Vermoedelijk is dit pas kort na de Tweede Wereldoorlog gebeurd. In 1939 hadden immers de laatste drie regenten uit het geslacht Van Roijen hun verantwoordelijkheden overgedragen aan de burgemeester van Leiden. Voordat mr. A. van de Sande Bakhuyzen veel kon uitrichten moest hij in 1941 zijn ambt opgeven op last van de Duitse bezetter.

1782: Er vond nogmaals groot onderhoud plaats, zonder fundamentele veranderingen in het basisconcept aan te brengen. De moeilijke tijdsomstandigheden zullen daaraan debet zijn geweest.

De pomp uit 1739 met natuurstenen schaap.

1807: Op 12 januari werd Leiden ’s middags getroffen door een ramp. Er ontplofte 37.000 pond buskruit in een schip dat lag aan het Steenschuur, het verlengde van het Rapenburg. Het hofje lag (bijna) op veilige afstand. Desondanks was de schade zodanig dat stevig herstelwerk was vereist. Zo ontving schilder Arie Momberg 110,34 gulden voor het inzetten van nieuwe ramen.

1864: De bewoonsters kregen gasverlichting in hun huisjes. Dat kostte de regenten precies 67,21 gulden en betekende een grote vooruitgang. Eva’s hofje beschikte toen op de binnenplaats al over een gaslantaarn die iedere avond door een lantaarnopsteker werd ontstoken.

Het is onbekend wanneer precies de huisjes van Eva’s hofje van toiletten en wastafels zijn voorzien. Vermoedelijk is dit pas kort na de Tweede Wereldoorlog gebeurd. In 1939 hadden immers de laatste drie regenten uit het geslacht Van Roijen hun verantwoordelijkheden overgedragen aan de burgemeester van Leiden. Voordat mr. A. van de Sande Bakhuyzen veel kon uitrichten moest hij in 1941 zijn ambt opgeven op last van de Duitse bezetter.

1982 – 1985: Met financiële steun werd het oude hofje met maximaal respect voor historische details na een omvangrijke restauratie/ renovatie in oude luister hersteld. De ooit zo prachtige maar inmiddels vervallen tuin werd op basis van het historisch ontwerp opnieuw aangelegd met jonge linden die de zieke acacia’s vervingen. Het interieur van de huisjes werd aangepast aan de eisen van de tijd met moderne voorzieningen, zoals keuken, wc en douche. Dat gebeurde zonder de historie teveel geweld aan te doen. Zo verdwenen de oude bedsteden definitief. De moeilijk begaanbare maar typerende spiltrapjes naar boven bleven echter gehandhaafd. Ook de daken en de muren tussen de huisjes werden grondig hersteld. Ze bleven echter ouderwets éénsteens (18 cm) en dus bijzonder dun ondanks het bezwaar van gehorigheid met moderne geluidsinstallaties en televisies. De restauratiearchitect was Ir. M.P. Schutte van het “Architectenbureau Schutte, van Heelsbergen-Jansen” te Leiden. De heer Schutte was regent van het hof vanaf 1968 maar trad in 1982 af, om belangenverstrengeling te voorkomen, toen hij de restauratiearchitect werd. De aannemer, gespecialiseerd in restauratieprojecten was “Koninklijke Woudenberg” te Ameide.

Trap huis nr 12 voor de restauratie.
Wethouder Peters brengt op 28 juni 1985 het laatste latje aan op één van de nieuwe leilinden. (Foto Leidse Post)

Trap huis nr 12 voor de restauratie.

Wethouder Peters brengt op 28 juni 1985 het laatste latje aan op één van de nieuwe leilinden. (Foto Leidse Post)

In 1654 had het stichten van het hofje 32.000 gulden gekost. Dat geld kwam uit de nalatenschap van Eva van Hoogeveen. Gedurende ruim drie eeuwen lukte het om het hofje te laten voortbestaan zonder overheidssteun, totdat in de twintigste eeuw de middelen uitgeput en de huisjes in verval raakten.
Begin jaren tachtig van de vorige eeuw leek de tijd gunstig. Een maximale subsidiestroom vanuit diverse overheden kwam beschikbaar en daar speelden regenten en gemeentefunctionarissen goed op in. Ook door de nieuwbouwplannen van de Leidse universiteit kwam het hofje, mede door haar locatie, in de belangstelling te staan, zowel bij de universiteitsbevolking als bij de toeristen.

Er moest bijzonder veel gebeuren. De bewoners moesten dan ook tijdelijk elders worden gehuisvest. De ontruiming van het hofje door alle bewoners slaagde zonder grote fricties of ernstige protesten, hetgeen op zichzelf al uniek mocht heten. De bewoners hadden de restauratie kunnen tegenhouden, maar dat werd voorkomen met bindende afspraken. Op instigatie van de regenten bemiddelde een speciale coördinator van gemeentewege daarbij. De Stichting Welzijn speelde een cruciale rol in dit proces, regelde wisselwoningen en hielp zowel bij de verhuizing als de terugkeer. ‘Evacués’ kregen passende woonruimte aangeboden in andere hofjes, zodra daar huisjes vrijkwamen. Vaak lag de huurprijs op de nieuwe locatie hoger. Dan paste het Eva van Hoogeveenhof het verschil bij. De uitgeplaatste bewoners hoefden zelf nooit meer dan de oude huur te betalen.Tot 1985. Bij terugkeer moest van bewoners die terugkeerden in hun gerestaureerde huisje wel een hogere huur worden gevraagd.

Heropeningsbijeenkomst na restauratie op 28 juni 1985. (Foto Leidse Post)

Heropeningsbijeenkomst na restauratie op 28 juni 1985. (Foto Leidse Post)