Bestuurders

Stichters van het hof

In 1652, kort na de dood van Eva, kochten de executeurs-testamentair (haar broer en een neef) een aantal bouwpercelen, gelegen achter het Rapenburg, op de plek waar het klooster Roma had gestaan.

Broer Gerard (Gerrit) Aelbrechtzn. van Hoogeveen, haar enige broer, die zeven jaar ouder was en zijn zuster nog dertien jaar zou overleven, erfde veel. Maar niet alles. Bij testament kreeg hij ook een opdracht mee. Met het geld dat overbleef, nadat hijzelf en nog enkele familieleden rijkelijk waren bedeeld, moest hij samen met neef Pieter Dircxz. van Hoogeveen een hofje bouwen.

Gerard Aelbrechtzn. van Hoogeveen was doctor in de geneeskunde en reikte dus in zijn vakgebied hoger dan niet-academische chirurgijns. Hij was opgeleid aan de Leidse universiteit. Gedurende zijn studie kreeg hij onderricht in de Griekse klassieken in het universiteitsgebouw aan het Rapenburg en werd hem de leer der geneeskrachtige kruiden bijgebracht in de tuinen van de Hortus Medicus, eveneens gelegen aan het Rapenburg. Om zich te bekwamen in de anatomie bezocht hij secties in het theatrum anatomicum. Praktische lessen volgden aan het bed van ‘echte’ zieken, voornamelijk mensen die in het Cecilia Gasthuis werden verpleegd. Naar goed gebruik trouwde Gerard van Hoogeveen op het juiste tijdstip, dus na het voltooien van zijn studie, met een dochter uit een ander bekend Leids regentengeslacht, Aechgen de Bije.
Dr. Gerard van Hoogeveen had het druk genoeg met zijn medische praktijk, want Leiden groeide spectaculair in de roerige zeventiende eeuw. En het Leidse leven was niet bepaald gezond. Woonden er in 1622 bijna 45.000 mensen in Leiden, in 1670 was dat aantal gegroeid tot ruim 55.000. Bijna al deze mensen huisden binnen de singels zoals die in de eenentwintigste eeuw nog steeds rondom het oude deel van de stad stromen. Die spectaculaire bevolkingsaanwas was voor het grootste deel het gevolg van immigratie. Vooral uit de Zuidelijke Nederlanden (het latere België) vluchtten veel mensen vanwege oorlogsomstandigheden. Hun komst stimuleerde in Leiden de textielindustrie maar zorgde ook voor lastige problemen, want autochtonen en allochtonen hadden ook toen al moeite met de verschillen in taal, cultuur en welstand.
Gerard van Hoogeveen overleed in 1665. Hij liet een aanzienlijk bezit na. Zo telde zijn nalatenschap niet minder dan 163 schilderijen van eigentijdse kunstenaars, waaronder zeven van de vermaarde landschapsschilder Jan van Goyen (1596-1656) en een tiental van de portret-, genre- en historieschilder Carel Fabritius (1622-1654).

Neef Gerard (Gerrit) Ameliszn. van Hoogeveen verving al binnen een jaar neef Jacob Albrechtszn. als executeur testamentair. Zo ontstond de merkwaardige situatie dat het hofje werd gesticht door twee neven met dezelfde voor- en achternaam.

Gerard Ameliszn. van Hoogeveen.
Ook neef Gerard Ameliszn. van Hoogeveen had gestudeerd aan de Leidse universiteit, maar in zijn geval was de keus op rechten gevallen. Toen nicht Eva in 1652 stierf, was hij al lid van de veertigraad en schout van Leiden. Ook hij had bovendien een voorname bruid getrouwd, Anna van der Burch.
Hij overleed in 1669. Bij testament liet hij bijna al zijn bezittingen, waaronder het prachtige pand Rapenburg 38 dat hij geheel volgens eigen idee had laten verbouwen, aan zijn kinderen en kleinkinderen na. Er ging wel vijfhonderd gulden naar de ‘armen van de diaconije’ en bovendien ‘aen het hofje gesticht bij joffe Eva van Hoogeveen gelijcke vijffhondert gulden’.

Wapen van het geslacht Paets.

Regenten
Beide Gerards van Hoogeveen fungeerden niet alleen als stichters maar ook als de eerste regenten van het Eva van Hoogeveenhof en er zouden later nog vier regenten met dezelfde voor- en achternaam in hun voetspoor treden.

Als vergaderruimte kon het besturend tweetal regenten vroeger beschikken over de regentenkamer, maar daar zaten de heren niet vaak. Hoeveel tijd ze precies voor vergaderen nodig hadden, is achteraf niet meer exact te bepalen, want formele stukken als bijvoorbeeld notulenboeken ontbreken in het archief over de eerste eeuwen.

Erfopvolging
Eeuwenlang was en bleef het bestuur van het hofje, zoals de erflaatster had gewenst, een zaak van haar familie, hoewel niet in de rechtstreekse lijn. Via huwelijk deden ook al snel de families Paets en L’Espaul hun intree en in de tweede helft van de achttiende eeuw de familie Van Roijen.

Relatieschema regenten Van Hoogeveen
De laatste regent daadwerkelijk van het geslacht Van Hoogeveen was Gerard van Hoogeveen (1729 – 1797).

Relatieschema Regenten Hoogeveen.

Gedurende de eerste eeuwen hebben alle regenten van Eva’s hofje de universiteit bezocht en bijna allen hebben de eerste eeuwen ook belangrijke functies in het Leidse stadsbestuur en vergelijkbare lichamen bekleed.
Zonder uitzondering waren alle regenten van het Eva van Hoogeveenhof welgesteld dankzij van familieleden geërfd vermogen en/of een ‘goed’ huwelijk. Het werk voor het hofje konden zij dus zonder problemen onbetaald verrichten. Dat was gebruikelijk: ook vergelijkbare functies zoals regent van het Elizabeth Gasthuis of armenmeester werden beschouwd als liefdewerk.

Relatieschema Regenten Roijen.
Afstadsverklaring getekend in 1939.

Inmiddels werden de verwantschapslijnen steeds langer en gecompliceerder. Toch zou het bestuur van het hofje tot 1939 op enigerlei wijze in handen blijven van telgen uit de familie Van Roijen. De laatste regenten uit de familie Van Roijen besloten toen gedrieën tot het tekenen van een verklaring, waarin zij afstand deden van hun verantwoordelijkheden. Vermoedelijk hebben de gevorderde leeftijd van deze bestuurders en de onzekere omstandigheden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog een doorslaggevende rol gespeeld.
Na de bestuursoverdracht lag de zorg voor het hofje in handen van de burgemeester van Leiden, mr. A. van de Sande Bakhuyzen. Hij was op geen enkele wijze verwant aan Eva van Hoogeveen. Zo kwam er na bijna drie eeuwen ten slotte toch een einde aan de ‘erfopvolging’.
Het bestuur over het Eva van Hoogeveenhof ligt momenteel in handen van een college van 4 personen, die zichzelf nog altijd ‘regenten’ noemen, net als hun voorgangers eeuwen geleden.

Afstandsverklaring van Catharina, Adriaan Jan en Aleida Quintina van Roijen, getekend in 1939. Dit betekende het einde van de erfopvolging.